leidenpedagogiekblog

Warmte en kritiek: Hoe je als ouder het verschil kan maken voor de depressie van je kind

Warmte en kritiek: Hoe je als ouder het verschil kan maken voor de depressie van je kind

In de wetenschap en praktijk is er veel aandacht voor het belang van ouderschap. Zo ook in de context van depressie bij kinderen en jongeren. De kennis is echter met name gebaseerd op ervaren ouderschap. Hoe zit het met het meer objectief gemeten oudergedrag?

Onderzoek naar ouderschap zoals ervaren door kinderen en jongeren laat zien dat jongeren met depressieve klachten zich minder geliefd en meer bekritiseerd voelen door hun ouders dan leeftijdsgenoten zonder depressie. De persoonlijke ervaring van jongeren kan echter wezenlijk verschillen van objectief meetbaar oudergedrag (zie dit blog). Tot dusver kunnen we op basis van onderzoek enkel sterke conclusies trekken over het belang van de beleving van ouderschap voor depressie, maar niet over concreet oudergedrag. Met het oog op interventies is het ook belangrijk om te weten wat het verband is tussen geobserveerd oudergedrag en depressie bij kinderen en jongeren. Wij onderzochten dit.

Meta-analyse

Aan de afdeling Klinische Psychologie van de Universiteit Leiden bundelden mijn collega’s en ik al het bestaande onderzoek naar geobserveerde ouder-kind interacties (zoals gescoord door onafhankelijke codeurs) en depressie bij kinderen en jongeren in een meta-analyse, het gaat om data uit negentig studies. Er is dus al veel onderzoek gedaan, maar het overkoepelende effect is onbekend. We namen geobserveerd gedrag van zowel ouder als kind mee.

Geobserveerd gedrag van ouders

De meta-analyse liet zien dat minder geobserveerde warmte/steun en meer geobserveerde controle/kritiek van ouders samenhing met meer depressie bij kinderen en jongeren op hetzelfde moment én op een later moment (bv een half jaar na het meten van oudergedrag). Depressie van kinderen en jongeren hing over het algemeen niet samen met minder ouderlijke warmte/steun en meer ouderlijke controle/kritiek op een later moment (bv een half jaar). Ouderlijke autonomie erkenning, begeleiding/structuur, en geobserveerd depressief affect van ouders hingen niet samen met depressie bij kinderen en jongeren.

Deze verbanden van warmte/steun en controle/kritiek met depressie op hetzelfde en een later moment waren significant, maar de grootte van het effect was klein. Minder ouderlijke warmte en meer kritiek lijken daarmee wel een risicofactor te vormen voor depressie bij kinderen en jongeren, maar dit is zeker geen een-op-een relatie. Eerder vonden wij in ons kwalitatieve onderzoek ook al dat jongeren met een depressie en hun ouders meerdere factoren als oorzaak van de depressie ervaren (zie dit blog).

Er waren ook grote verschillen tussen studies en gezinnen. We zagen onder andere dat de impact van ouderlijke kritiek met name groot is als het werd geobserveerd in een positieve context. Daarnaast is het effect van geobserveerde warmte/steun en controle/kritiek dat wij vonden kleiner dan wat er in eerdere meta-analyses werd gevonden voor ervaren ouderschap. Kortom, een gebrek aan warmte en kritiek kunnen een rol spelen bij het ontstaan of de chroniciteit van depressie, maar ‘one size does not fit all’ . We kunnen de bevindingen niet zonder meer vertalen naar de gezinsdynamiek van individuele gezinnen.

Geobserveerd gedrag van kinderen en jongeren

Kinderen en jongeren zijn geen passieve ontvangers van oudergedrag, maar vormen een essentieel onderdeel van de interacties. Wij onderzochten daarom ook het geobserveerde gedrag van kinderen en jongeren met een depressie. Onze meta-analyse toonde aan dat kinderen en jongeren met (klinische) depressieve klachten meer negatief affect (bv angst en irritatie) lieten zien, minder autonomie (zelfstandig beslissen en functioneren), en dat ze minder betrokken waren in taken tijdens interacties met hun ouders. Deze verbanden waren opnieuw significant met een kleine effectgrootte. Wel zagen we dat kinderen en jongeren met depressie uit verschillende gezinnen en in verschillende contexten dit gedrag lieten zien. We vonden beperkte aanwijzingen dat deze jongeren minder positief affect lieten zien (lachen, vriendelijkheid) en meer depressief affect (verdriet, dysforie) en geen bewijs voor terugtrekkend gedrag (vermijding, afstand nemen). Deze uitkomsten komen overeen met eerdere bevindingen dat depressie bij jeugdigen meer wordt gekenmerkt door een prikkelbaar dan door een melancholisch profiel.

Wat kunnen we hiervan leren voor de klinische praktijk?

  1. Het versterken van ouderlijke warmte en steun is een belangrijke target voor de preventie van depressie. Hoe ouders dit kunnen doen zou deel uit moeten maken van psycho-educatie en interventies in geval van (sub)klinische depressieve klachten bij jeugdigen. Specifiek voor jongere kinderen met depressieve klachten (kindertijd/schoolleeftijd) zagen we na verloop van tijd (bv een half jaar later) ook een afname van ouderlijk warmte en steun. Dit fenomeen wordt in de literatuur ook wel warmte/steun-erosie genoemd. Het laat zien dat het belangrijk is om ouders te ondersteunen in het versterken of behouden van warmte en steun wanneer een kind last heeft van depressieve klachten.
  2. Ook ouderlijke kritiek en controle is een belangrijke target voor preventie en interventie voor de depressie bij jeugdigen. Het is met name belangrijk om kritiek en controle in positieve interacties te beperken. Wij vonden een sterker verband van dit gedrag met daaropvolgende depressie (bv een half jaar later) in de context van positieve interactietaken (bv uitje plannen) dan negatieve interactietaken (bv conflict bespreken). Het is dus van belang om positieve interacties vrij te houden van kritiek en controle.
  3. Tot slot vonden we dat depressie bij kinderen en jongeren meer wordt gekenmerkt door een prikkelbaar dan door een melancholisch profiel in ouder-kind interacties. Verhoogd negatief affect, verlaagde autonomie, en verlaagde taak-betrokkenheid zijn zichtbare gedragingen en kunnen mogelijk helpen om depressieve klachten te signaleren. Daarnaast kunnen deze gedragingen uitdagingen vormen voor kinderen, ouders en de gezinsdynamiek. In gezinsinterventies zouden deze uitdagingen gevalideerd kunnen worden en gezinsleden ondersteund in het omgaan met deze uitdagingen.

Over het onderzoek
Dit onderzoek maakt deel uit van het NWO Vici-project RE-PAIR van de afdeling Klinische Psychologie aan de Universiteit Leiden, onder leiding van prof. dr. Bernet Elzinga. Het volledige, peer-reviewed artikel is open access gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Clinical Child and Family Psychology Review. Informatie over en publicaties binnen RE-PAIR kunnen hier worden gevonden.


0 Comments